Concertverslag: Roland Tchakounté & Band
Datum: 11 februari 2008
Auteur: Antoine Légat


Roland Tchakounté is een bluesgitarist afkomstig uit West-Kameroen maar al lang woonachtig in Parijs. Men zegt dat hij blues speelt zoals ze zou zijn als ze in Afrika was ontstaan en niet in de plantages van de zuidelijke States.
Persoonlijk vinden we dat Ali ‘Farka’ Touré (1939-2006) daar dichter in de buurt van kwam en dat Tchakounté eerder John Lee Hooker achterna gaat (waarmee Touré dan weer vaak vergeleken werd!) Om de academische discussie echter te plaatsen waar ze thuishoort: Roland Tchakounté is een groot performer ‘in his own right’ en heeft geen rolmodellen of vergelijkingen nodig om je van zijn kunnen te overtuigen.
De lange Parijse incubatie periode is heilzaam geweest: zijn eerste cd ‘BRED BOUH SHUGA BLUES’ verschijnt pas in 1999 en toen hij met de opvolger, het meer akoestische ‘ABANGO’’ op de proppen kwam (2005) hoorde men een voldragen artiest. Om eerlijk te zijn, ‘ABANGO’ gaf ons toen we die voor het eerst hoorden een draai om de oren. Je hoeft geen knijt te begrijpen van wat hij zegt in het Bamiléké, zijn moers taal, maar de muziek spreekt boekdelen: doorleefde, hoekige blues. De cd markeert ook de eerste samenwerking met Mike Ravassat. Deze gitarist ontpopt zich al snel tot de ideale begeleider voor Tchakounté: een meester op slide en dobro vult hij de Kameroenees op subtiele en tegelijk karaktervolle en ongelooflijk gevarieerde wijze aan.
De live reputatie van Roland bereikte ons tegelijk met ‘ABANGO’, maar door allerlei omstandigheden misten we het handvol concerten ten lande. We wisten dat dit slechts een kwestie van tijd was voor we hem live te pakken kregen, want het kon niet anders of de man zou wel weerkeren. De internationale prijzen vlogen hem intussen om de oren: zo eindigde hij in 2007 alleen al tweede in een prestigieuze blueswedstrijd in de States (160 deelnemers van meer dan 20 nationaliteiten) en in de Cognac Blues Passions (het grootste bluesfestival van het Europese vasteland) kaapte hij zelfs de eerste plaats weg. In 2005 was hij zelfs de eerste ‘Franse’ artiest geweest om op het Chicago Blues Festival te spelen. Half februari was het eindelijk zo ver: de gevestigde legende ontving die in wording.
In de Banana Peel stond Roland Tchakounté, steeds op akoestische gitaar, er niet alleen meer met Ravassat maar ook met slagwerker Matthias Bernheim. Die bleek ook al een aanwinst, want ook hij brengt naast klassieke bluesy accenten precies die toetsen aan die het Afrikaanse van Rolands blues onderstrepen, met o.a., en naast Europees slagwerk, ook djembé, kleien potten en schouderdrum, al of niet met kromstaf bespeeld. Ondanks het buitengewone gitaarspel van Ravassat blijft alles gefocust op de frontman. Die had ook zijn nieuwe cd ‘KAWA’ meegebracht, ingeblikt met zijn trio en met schitterende songs die door de aard van de zaak iets voller en ritmischer in de studio werden ingespeeld.
Zoals tevoren fluistert de man eerder dan dat hij echt zingt (wat hij echter ook kan!) Tchakounté stak in BP van wal met ‘Mekou Shem’, de opvallende opener van ‘ABANGO’. Het bleek al snel dat de man een al even fijn en innemend verteller is als een overtuigend uitvoerend muzikant. Dat verhindert niet dat deze lieve brombeer niet fel kan uithalen als de muziek en de tekst dat vergen, steil gravend in de emotie. John Lee Hooker is nooit ver weg: er is niet alleen die diep grommende stem, maar ook die intensiteit, die greep op zijn publiek. Hij mag dan Afrika de rug hebben toegekeerd, voortdurend heeft hij het over het noodlijdende continent. Bij ‘Africa’ (uit ‘KAWA’) bezweert hij ons ook in positieve zin te denken aan het zwarte werelddeel. Dat is ook de verdomde plicht van Afrikanen in de diaspora, van op te komen voor hun roots.
Tijdens de pauze bleek Roland ook echt zo’n vriendelijk man te zijn met het hart op de tong, en de emoties vol in het hart. We vragen hem of hij als verzoekje ‘Mba Zi Ke Tsoume’ wil spelen, het nummer dat ons op ‘ABANGO’ totaal omverblies. ‘Ja’, zegt hij, ‘Graag, maar ik weet niet of ik het tot het einde kan spelen zonder in tranen uit te barsten.’ Die song blijkt immers te gaan over de schielijke dood van zijn vader, tevens zijn beste vriend. Hij speelt hem bijna nooit, maar hij wil het deze ene maal doen. Hij begint er zijn tweede set mee, maar hij houdt zich kranig. Het doet hem zelfs blijkbaar deugd de herinnering op te diepen en te koesteren in dat o zo bezwerende lied. Het ganse tweede stuk gaat door op het elan van het eerste. Ravassat haalt een succulente Mark Knopfler gitaar boven voor een song, waar de titel ons van ontgaat, song die Tchakounté begeleidt van een krachtig ‘Je refuse de me taire. L’Afrique souffre. C’est mon devoir d’aider les peuples d’Afrique.’ Hierna volgt een ander hoogtepunt, de zwoele ballad ‘Njuli’, met een constant, indringend tempo aangegeven door een djembé, bespeeld als was het een darboeka. We horen ook een lang uitgesponnen lied in Frans dat Ravassat begeleidt met een op Malinese/Senegalese wijze bespeelde gitaar. Voor één keer verstaan we de tekst: ‘Tu es partie sans prévenir. J’ai besoin de temps, je t’en supplie...’ Ook ‘Alela’ krijgt een prachtige uitvoering, maar die verzorgde indruk geven alle songs. Tchakounté sluit met een hommage aan... John Lee Hooker. Groot enthousiasme bij de bluesfanaten. Twee bissen. In de eerste (vermoedelijk ‘Nouh Chaam’) zingt Roland plots zijn ziel uit zijn lijf als antwoord op een intense gitaarsolo, waarna Bernheim demonstreert in een lange solo op de schouderdrum. En zo gaat dat door tot het onherroepelijke uur van de avondklok in de BP, klokslag elf. Daarna staat de politie onherroepelijk aan de deur, opgetrommeld door de Verschrikkelijke (verre) Buurman van deze club met wereldfaam maar enge buurtschap… Tegen dan hebben Tchakounté, Ravassat en Bernheim de mensen van Banana Peel zo goed als unaniem bekoord.

Grote meneer, nu al. (Antoine Légat; 12 03 08)