Concertverslag: John Mooney & Bluesiana
Datum: 13 september, 2004
Auteur: Antoine Légat

Enkele dagen na Dana Gillespie, kregen we John Mooney voorgeschoteld: de Banana Peel is in het seizoenbegin echt niet karig met de bluestenoren! Je hebt namelijk bluesgitaristen, en je hebt…we-zouden-het-wel-duizend-keer-zeggen. In de tweede categorie is er plaats voor slechts een handjevol: we denken aan Duke Robillard (zijn nieuwe dubbele Blue Mood is weerom een must hear!), aan Doug McLeod, aan Spencer Bohren (al zal die dat in alle…toonaarden ontkennen!), aan Sonny Landreth (*), en ook aan John Mooney. Daarachter wordt de spoeling al snel dunner. Mooney is inderdaad een slidegitarist die je met het nodige respect benadert omdat hij dat telkens weer dubbel en dik verdient: met zijn intussen weergaloze reeks CD, waarvan All I Want het voorlopige hoogtepunt is, met zijn concerten waar ernst en speelplezier, vak-/voorkennis, inspiratie van het moment en een broeierige intensiteit voortdurend met elkaar wedijveren. Het concert op Beersel Blues Rock twee dagen tevoren had ons al gewaarschuwd: Mooney is in de vorm van zijn leven. Je kan genieten van de muziek op zich, je kan je evenzeer vergapen aan de ongelooflijke techniek van Mooney…en van zijn begeleiders, de ritmesectie die terecht Bluesiana werd gedoopt, want New Orleans zit deze jongens in het bloed. Jeff Sarli bast sinds jaren bij zijn goede vriend Mooney en houdt het bijzonder functioneel. Hij vervult zijn job op oerdegelijke wijze en geniet intussen mateloos van het samenspel. Drummer Bernard ,,Bunche’’ Johnson is een attractie op zich: de manier waarop hij onorthodox met zijn stokken zijn vellen en cymbalen te lijf gaat, zijn guitige gelaatsexpressie (het plezier straalt er zo van af), zijn voortdurende goedlachse schermutselingen met ,,de baas’’, de heerlijke second line die hij uit het drumstel haalt (de twee laatste nummers waren op dat vlak een dubbele portie hemels genot!)

John Mooney vergat zijn rugproblemen, zijn zorgen om zijn zopas gehospitaliseerd zoontje en gaf het volle pond. Het kan al niet meer stuk als Mooney in het begin van de set een paar favorieten inlast als Country Boy (uit Late Last Night, CD die hij opnam met John Cleary, nu toetsenman bij Bonnie Raitt) en That’s What Lovers Do (When They’re Stealin’ Love) (uit Gone To Hell) Jammer dat She Ain’t No Good (uit All I Want) daar niet op volgt, want dan was het trio compleet! Niet dat er iets schortte aan de repertoirekeuze: met How Long Blues (uit GTH), Baby Please (Don’t Go To New Orleans), rustpunt Late On In The Evening gespeeld met een hoge Sonny Landreth factor (uit Against The Wall) en Future Blues (Willie Brown song uit AIW) kon hij amper een mooier eerste deel bedenken, up tempo, snedig, barok, goed bij stem en mentaal scherp als een Gilette op speed. Tell Me Who (uit AIW) leidde hij in met ,,A song for the wife…The second wife…The good one!’’. We know the feeling, John! Een perfect eerste deel, iedereen knock-out en/of in de wolken…

Je verwacht dan dat het na de pauze helemaal ontploft: zo gaat dat nu eenmaal bij die technisch vaardige gitaristen die zo nodig tonen moeten wat ze allemaal in hun mars hebben. Niet zo Mooney: die zet de tweede set in met een magistraal uitgevoerde slow blues, You Got Me Here Crying, en die mood zet hij verder met Big Old Fire (Burning In The House Tonight) en Keep It Clean, dat zijn titel helemaal incarneert: het is nu allemaal even rustig, beheerst, bijna ingetogen, toch vergeleken met het dampende eerste deel, en ongelooflijk precies...We vernemen dat Mooney onlangs verhuisd is naar zuid westelijk Californië. Hij vraagt zich af of hij na de hurricanes nog iets van die woonst zal terugvinden…Waarop ie zichzelf uitnodigt bij zijn hevig protesterende drummer. Zo’n toffe sfeer hangt er. Ed ‘Son’ House, zijn grote voorbeeld, en Robert Johnson krijgen hun cover, maar Mooney laat Son’s Blues, een killer uit All I Want aan de kant. Als je je zoiets al kan veroorloven…Het klassieke Sitting On Top Of The World volgt in een sublieme uitvoering en zo groeit de set naar zijn climax: daar is Sacred Ground, dat verwijst naar een stuk grond dat in de Mississippi Delta bovenkomt als het waterpeil zakt door droogte (de Bachor als we dat goed hebben?) Op die landtong worden dan allerlei gewijde ceremonies gehouden. Zoals gezegd drijft deze voorlaatste song op een ritme dat gewoon onweerstaanbaar is. Johnson speelt zowaar een opzwepende solo. Maar Mooney is toch degene die hier een geslepen diamant van maakt. Het naderde intussen elf uur, het uur waarop de Verschrikkelijke Buurman wakker wordt in de Bruggestraat te Ruiselede. Mooney werd zeer tegen zijn zin gemaand om de boeken te sluiten en we werden dan ook uitgewuifd met een coda gevormd door…Jingle Bells. ,,Merry X-mas’’ voegde John er niet zonder een trog ironie aan toe, maar er volgden toch nog twee encores, met eerst het als lullaby aangekondigd verzoekje Take Time (To Know Her) in een versie die Percy Sledge beslist zou goedkeuren. Helaas was de BP iets te vol om een slowtje te wagen. Maar geen tijd om ons eind december te wanen: Hey Little Girl (van All I Want) sloot in sneltreinvaart af.

Wat kan je verder nog zeggen? Dat dit voor ons één van de optredens van het jaar was, en dat op zo goed als alle niveaus? Dat je je afvraagt waarom sommige mensen toch nog luisteren naar kuddes kloefkappers op hun axe (namenlijst verkrijgbaar op simpele aanvraag), terwijl John Mooney op dit ondermaanse vrij rondloopt en de wonderlijkste dingen klaarbokst met precies evenveel snaren en wat customized hout? Ja en ja, dus. Maar het mooiste is dat de Meester het zelf allemaal relativeert. Zoals hij bij de pauze zei: ,,We’ll be back with a little more of this trash’’. Nou moe!!! (17 09 04)