Concertverslag: Mojo Buford & Papa Don McMinn (30 mei 2005) - Lurrie Bell (31 mei 2005)
Datum: 30 en 31 mei, 2005
Auteur: Antoine Légat

De week tevoren hadden we jammerlijk slide-gitaar wonder Kent DuChaine en zijn onafscheidelijke gitaar Leadbessie gemist (commentaren als ,,Even goed als John Mooney'' deden ons alleen maar meer spijt krijgen) Dan maar op post in de Banana Peel voor het orgelpunt van het 39e werkingsjaar. De blueskeet (een intussen trouwe bezoeker zei me: ,,De eerste keer dat ik hier binnenkwam dacht ik dat ze elk moment kon instorten…'') verwachtte op twee dagen tijd een hele hap, overigens meegeschreven, bluesgeschiedenis: op maandag George ‘Mojo' ‘Dreamy Eyed' Buford , lang harpist bij Muddy Waters, op dinsdag Lurrie Bell , zoon van Carrie, die oorspronkelijk zou meekomen om het feest compleet te maken en de cirkel rond, want in 1980 waren vader en zoon hier samen, iets waaraan Lurrie nog precieze herinneringen overhield. Maar de kers ontbrak op de roomtaart, want Carrie moest onder het mes en de manager wilde geen risico's nemen: gezondheid gaat voor! Dat er in juni in Chicago moest gespeeld worden, zal wellicht ook een rol gespeeld hebben.

Gezondheid, dat is wat Mojo Buford nog steeds bezit op zijn 76e, want was dit zijn derde passage in de BP, dan was het volgens alle aanwezigen zijn beste keer. Dat had minder met de nostalgie te maken (Muddy Waters! Een zeldzame survivor! Misschien zijn laatste keer!) dan met de kwaliteit van de set. Dat mogen we op rekening schrijven van het begeleidende trio: klassengitarist Homer Lyman ‘Don' McMinn had als ritmesectie zijn oudste zoon Douglas Ray McMinn op drums en zijn jongste Rome Allen McMinn op bas mee, samen Nighttrain, een typische (en authentieke) Beale Street band uit Memphis, Tennessee, gewoon dus om in alle omstandigheden de betere (blues)zangers van begeleiding te voorzien. En dat scheelt. 

Vermits Don McMinn, die we eerst voor een pater scheutist aanzagen, maar dan wel één die met B.B. en Albert King, John Mayall en Memphis Slim speelde, ook een prima zanger is (Why Papa Sings The Blues), kon die de honneurs waarnemen als Mojo aan een rustpauze toe was. Mojo van zijn kant wist te bekoren met fijn harpwerk en verfijnde zang. De power is weg uit de stem, maar het bluesgevoel is intact. Halfweg de eerste set zei de krasse grijsaard ,,Let's put a new feel in it'' en zowaar zette men een alternatieve versie van Waters' Hoochie Coochie Man in! De eerste set besloot met de song die Buford gedurende jaren elke dag moest zingen in Minneapolis, song die hem zijn bijnaam gaf, Got My Mojo Working, in koor luidkeels meegezongen door het talrijke publiek.

Na de pauze ging men op het elan verder, waarbij opviel hoeveel genoegen vader en zonen beleefden aan hun Europese uitstap. Telkens Mojo aan de beurt was, zag je hen naar de veteraan toespelen, met veel vakkennis, en vooral, heel veel liefde, drie generaties verenigd in de passie voor de blues. Excuus voor de lyrische ontboezeming maar het viel die avond wel allemaal in de juiste plooi …Fraaie southern style in Laid Back, met Mr. Crop een prachtige hommage aan W.C. Handy, McMinn die met Big Leg Woman zowaar Buford zingt, en al de klassiekers: Blues With A Feeling, een nu erg klassieke Hoochie Coochie Man, McMinn in een erg opzwepend All Night Long (met de LA Grange-riff van ZZ TOP) en in Statesboro Blues, ,,niet zoals de Allman Brothers, maar zoals het hoort, namelijk à la Blind Willie McTell''. Mojo aan de beurt voor de finale met You Gotta Run en, onvermijdelijk, nog eens Got My Mojo Working, waar die avond blijkbaar iedereen last van had: ,,..But it doesn't work on YOU!''. Toch nog plaats voor twee bissen, een magistraal The Thrill Is Gone, en nog één keer Buford met de reprise van een song uit zijn recentste cd: When Love Strikes Like Lightning…,,It hits you like a falling tree'' gaat het verder en dat beschrijft adequaat hoe we ons voelden na dit optreden.

Een vol huis voor Mojo Buford, dan mocht men zich aan regelrechte bestorming verwachten voor een Lurrie Bell op het toppunt van zijn kunnen, maar de afwezigheid van Carey was intussen bekend geraakt en dat zal wel een aantal liefhebbers ontmoedigd hebben. En er was al het concert geweest op Duvel Blues (28 mei) overigens met dezelfde Belgische ,,superformatie''…Hoe moet je anders een groep betitelen bestaande uit Big Dave Reniers (van de Big Dave Band en de heropgerichte Belgische bluestrots bij uitstek, the Electric Kings…We kunnen amper wachten tot Peer!), hammondspeler en pianist Patrick Cuyvers, bassist Jan Ieven (voorheen El Fish en met Tony Gyselinck en Steven De Bruyn het hart van de straffe Rhythm Junks; Jan is tevens zoon van de peetvader van alle Belgische rockbassisten, Frans Ieven) en ‘Dynamite' Steve Wauters (drums bij Last Call)…Lurrie moet zich wel at home gevoeld hebben met zulke ritmesectie achter hem. Steve: ,,Het was wel zaak geconcentreerd te blijven om foutloos te blijven volgen'' Bluesschema's liggen vast, natuurlijk, maar iemand als Lurrie Bell herschept de songs met elke nieuwe live uitvoering. 

Met een frontlijn van drie man ging een stuk gewicht af van de gitaar: Cuyvers, voor ons een ontdekking, liet vaardig zijn hammond ronken en de overgave van Big Dave was totaal. Beiden gaven echt wel het beste van zichzelf. In Chicago krijg je ze niet beter, schatten we. Maar het was wel degelijk Lurrie Bell die de kapitein was op deze pleasure cruise. Hij haalde wàt graag de klassiekers van stal, niet toevallig dezelfde stal als Mojo Buford…We kregen Big Legged Woman, Sweet Lorraine, Reconsider Baby en Sweet Home Chicago, platgetrapt maar toch ovenvers, ter plekke herkneed. Na de pauze geraakte het vijftal helemaal onder stoom. Feel Like Breaking Up Somebody's Home en Messin' With The Kid kwamen eruit gespat. 

De kroon op het werk was het verrassende opkomen van Peaches Staten : op Duvel Blues hadden de heren en dame al contact gelegd en Peaches kwam alvast de sfeer snuiven van de Banana Peel, waar ze op 27 juni optreedt. Met Goodbye Baby Bye Bye liet ze horen dat ze niet zal komen om het meubilair aan te vullen. Een dame met een dijk van een stem, met pit en met de right moves. Wat extra opviel was dat Lurrie zich meteen in de plooi van begeleider omboog, iets wat hem helemaal afgaat…Men mag niet vergeten dat hij al even vaak sideman was als solo artiest. Het eind leek op wat de avond voordien te beleven viel, maar Got My Mojo Working en Hoochie Coochie Man klonken toch weer gans anders. Wie zei daar ook alweer dat het in de blues ,,altijd hetzelfde is''?

Twee avonden bluesgeschiedenis: dat was alvast niet ,,altijd hetzelfde''!

Antoine Légat