Concertverslag: Michael Messer
Datum:18 december, 2006
Auteur: Antoine Légat

Een concert met voorgeschiedenis. We leerden Michael Messer pas kennen via zijn zesde cd Lucky Charms, eerder dit jaar. Dat was een schot in de roos: iemand, die de country blues van de jaren dertig ingeslikt heeft, maar daar een heel eigentijdse, zeg maar moderne synthese van maakt, via zijn kennis van vele muziekjes buiten de blues, via zijn geweldige slide werk, een lichtjes fantastische band en het gebruik van samples van Robert Johnson, de onvermijdelijke reus onder de reuzen, maar ook andere stoffige helden uit de pre-war period. Deze zomer zagen we Messer elektrisch (en ook elektriserend) aan het werk met de voltallige Second Mind Band op het BRBF in Peer, en achter de coulissen, dan wel solo en akoestisch. Ook in dit e-mag werd er extatisch gereageerd op dat concert, één van de betere van het hele festival en van de hele blueszomer. Een revelatie, al vertrouwde Michael ons toe dat hij tot rond ‘95 een regelmatige gast was op onze bluespodia. We keken dus reikhalzend uit naar dit optreden in de Banana Peel, met een optreden dat het 40e werkingsjaar van de club feestelijk moest uitwuiven. We kregen de afgeslankte SMB te horen, bestaande uit zijn lifelong begeleider op akoestische gitaar, Ed Genis, en zoon Louie Genis als DJ. De start was indrukwekkend met het aloude Rollin’ And Tumblin’ (zalig die Indianenkreten daarin en ook zo te beluisteren op zijn verzamelaar King Guitar, heruitgebracht bij Cooking Vinyl), al hoorden we eerst enkel de slide van MM en de gitaar van EG. Het duurde even voor de draaitafel ook in de mix zat. Toen dat gelukt was, krabten de geëerde bluesliefhebbers van de BP zich wel even in de schaarser wordende haren: dit was althans voor hen du jamais entendu! Al snel maakte de verwondering echter plaats voor bewondering. Michaels slide spel is van het beste van deze planeet (daar steken we onze hand voor in het vuur), al wordt dat gemaskeerd door het gemak waarmee hij zijn partijen speelt. Hij speelt de resonator vaak ook liggend als een soort lap steel of Hawaiaanse gitaar. Zijn zangwerk is stereotiep en uniform, maar bijzonder degelijk en uitermate goed passend bij deze stijl(en) Ed Genis is een ongelooflijke sideman die na 25 jaar zijn baas blindelings involgt. De samples zijn goed gekozen, snijden vaak door de ether tussen de zinderende klanken van het snaarwerk heen en zorgen voor een enigszins onwezenlijke maar tevens deugddoende country blues sfeer. De coverkeuze is vlekkeloos: Write Me Some Line van Mississipi Fred McDowell naast Death Letter Blues van Son House (wat een uitvoering, trouwens!), I Can’t Be Satisfied van McKinley ‘Muddy Waters’ Morganfield naast Divin’ Duck van Sleepy John Estes. Dat laatste staat ook al op King Guitar, net als Lone Wolf Blues. Messer citeerde gretig uit Second Mind (Blue Letters, Shine On) en uiteraard ook uit Lucky Charms (Take Me Back, het titelnummer) Spijtig dat hij een aantal sterke songs uit die cd niet kon spelen omdat ze de hele band vergen. Geen Steve Cropper of Son House dus! Zeer verfrissend was de vroege ,,Chicago blues’’ van I Shouldn’t Do That: dit lichtvoetige werkje illustreerde vooral hoezeer de muziek van de Windy City toen, vroeg in de thirties, nog rurale én cabareteske trekken vertoonde en beïnvloed was door de toen populaire exotische klanken uit Hawai. Leerrijk, want uit dergelijke invloeden groeide dus ons Sweet Home Chicago! Intrigerend ook hoe het eigen werk dat hele verleden samenvat, zoals in Robert Johnson’s Wake (,,Skeletons play tonight…Jazz men get lucky, jazz men get gold…’’) Had het deel voor de pauze nog iets van een verkenningsronde, dan was het tweede stuk een overweldigend stoofpotje eerlijke blues. Tegen het einde van de set was het publiek dan ook helemaal in de ban van deze Michael Messer. Een wonder dat hij in 2007 naar de BP terugkeert met full band? Nee dus.
(29 12 06)