Concertverslag: Chicago Blues Festival 2007 met Lurrie Bell, Tail Dragger en Eddie Taylor Jr.
Datum: 4&5 december, 2007
Auteur: Hans Blankaert


Als men de blues benadert met geestdrift, werkkracht en eerlijkheid, dan wekt dat bij mij steevast verwondering en bewondering op. En niets was hip en eigentijds aan de muzikanten tijdens de twee exclusieve concerten van het Chicago Blues Festival in Ruiselede. Ze dolven eerder in het verleden, toen de West Side van Chicago tijdens het vallen van de avond nog bruiste van muzikaal geluk. De Banana Peel zat tweemaal afgeladen vol, net zoals in de gouden jaren van Theresa’s Lounge. Lurrie Bell waagde zich aan een vergelijk wat voorzitter Franky Van de Ginste in dank afnam.

De aftrap is voor de Belgische band ‘Ilias Scotch en Moe Bass’. Hun bluesy jazz is wars van intellectualisme, eerder schrander en gepassioneerd opgediend. Beschouw het gerust als een compliment. Pianist Scotch leidt de groep naar enkele vlammende momenten. Tommy Tucker’s ‘Hi-Heel Sneakers’ krijgt een extra stroomversnelling waardoor het nummer op ongekunstelde souplesse drijft. Maar zéér knap is ‘Hard Time Killing Floor Blues’ van Skip James. De geneuzelde, simultane zang tussen Ilias en saxofonist Peter ‘Mr. Blowheart’ Verberckmoes ontaardt in zoveel lyrische kracht dat mijn tikker in overdrive slaat. Als inzet van wat volgen moet, is hun optreden een geslaagde missie.

Het Chicago Blues Festival 2007 kan uitpakken met een benijdenswaardige bezetting. De ritmesectie met drummer Willie Hayes en bassist Russell Jackson is een gedroomde tweespan om brokken te maken. Hayes begeleidde nog Guy-Wells en andere Waters en Jackson bleef jaren bij B.B. King. Ze spelen zwarter dan roet, gezeten in een bad adrenaline en voortdurend met het scheermes op de pols. Wij bepalen de hartslag en niemand anders, ingenieus voorgedaan door Fred Below en Dave Myers. Het is Eddie Taylor Jr. die opent met Joe Liggins’ ‘Pink Champagne’. De zoon van de grote Eddie Taylor heeft duidelijk last van zenuwen. Onzeker op gitaar en de zangpartijen halen niet eens de middelmaat. Met ‘That’s All I Need’ blijft hij al even ver weg van de getormenteerde versie van Magic Sam. Harmonicaspeler Martin Lang, een blank vel uit New York, redt dan maar de meubelen. Met zijn zwierige harmonicastoten vist hij opnieuw de West Side-sound in de groep. Tijdens het ganse concert is hij nooit opdringerig, wel geconcentreerd en intens. Graag gezien en gehoord door dit illuster gezelschap en dat zegt veel over het talent Martin Lang.

Op de eerste schokgolf is het niet lang wachten. Als Tail Dragger en Lurrie Bell, heel terecht door Russell Jackson aangekondigd als de ‘blues himself’, de groep aanvullen, wordt uit een ander vaatje getapt. Bruisende blues uit Chicago met de vertegenwoordigers van de legioenen van getalenteerde huurlingen wordt ons deel. Het vulkanisch drumspel van Hayes slaat kraters in de bezwerende zangpartijen van Tail Dragger. Zoals hij de blues orakelt, verwijzend naar Howlin’ Wolf, kan hij in menig Tiroolse vallei een lawine veroorzaken. De stilaan verhitte juke joint ruilt de oesters voor schuimende pinten. Lurrie Bell jaagt er Elmore’s ‘The Sky Is Crying’ door. Nu hoor ik al in de verte, wééral, maar in de handen van Bell ligt de blues van dit prachtig lied diep in het ingeboren innerlijk geklaag waartegen niets is opgewassen. Lurrie’s bloedstollende zang verraadt dat er onlangs op korte tijd veel verdriet in zijn ziel heeft gewoed. De regel ‘She was walking on down the street’ komt met gulpen tristesse uit zijn hart, Russell Jackson tempert de baslijnen, kijkt zijdelings richting Lurrie en sluit de ogen. De blues wordt ongenaakbaar, maar uptempo volgt. Voor je één traan van medelijden kunt laten, ben je al lang aan het dansen: zo werkt ironie.

Na de koffie is het werkschema  identiek ingedeeld. Jackson schuift de funk in Charles Brown’s ‘Merry Christmas Baby’ waarop Eddie Taylor Jr. anticipeert met een openhartig ‘Sadie’, ooit door King Ernest subliem uit de keel geduwd. Taylor waagt zich aan een gitaarsolo, en het blijkt zowaar een helverlicht moment te zijn. Als Tail Dragger het weer naar katoenvelden ruikende en van joie de vivre barstende ‘My Head Is Bald’ richting plafond schiet, kraakt zijn lange lijf in alle compartimenten. Hij herstelt. De band swingt en Lurrie neemt opnieuw het voortouw. Zijn virtuoze gitaarspel krijgt iets magisch in ‘Everybody Wants To Win’. Elke noot ademt de blues. Russell Jackson na afloop in de kleedkamer: “Lurrie is een fenomeen, ongetwijfeld de grootmeester in de Windy City. Een gewonde engel die zoveel dramatiek in zich heeft dat hij de blues wel moet zijn”. Een unieke bluesmuzikant met een al even unieke achterban verlaten onder luid applaus het podium.

Bij het verlaten van de club wil ik op de blinde, grauwe buitenmuur ‘blues’ kalken. Teveel licht van een volle maan en een wakende politieagent verhinderen dat.

Hans Blankaert

Concertverslag: Chicago Blues Festival 2007 met Lurrie Bell, Tail Dragger en Eddie Taylor Jr.
Datum: 4&5 december, 2007
Auteur: Antoine Légat

In de loop van december waren we present bij een aantal concerten met de stellige intentie daar een en ander over ,,op papier’’ te zetten. Gezondheidsproblemen hebben daar een stokje voor gestoken: een aantal besprekingen kregen we wel afgerond, andere dan weer niet. Toch willen we die optredens in het kort belichten omdat ze nu eenmaal de moeite waard zijn. Jaarlijkse traditie is het Chicago Blues Festival in de Banana Peel Jazz & Blues Club. De BP is een echte ,,Home of the Blues’’, waar men tevens de expressie ,,Blues is a peeling’’ voor bedacht. Traditioneel gaat het ook over twee avonden, en twee maal is het ook al traditioneel sold out, want dan men weet de weg naar Ruiselede wel te vinden. Jaar na jaar komt immers een interessante dwarsdoorsnede van wat de Windy City op bluesgebied te bieden heeft, afgezakt naar de provincieplaats, die men in heel de (blues)wereld kent. Maar dit jaar was de oogst wel bijzonder rijk. Zanger-gitarist Lurrie Bell behoort tot de top van de Chicago blues en is net als vader Carrie, nog niet zo lang overleden, uitgegroeid tot een icoon van het genre. In de loop van de jaren stond hij hier meermaals. Lurrie had collega Eric Taylor Jr. meegebracht, en die zit ook al in het spoor van zijn pa. Heel uitzonderlijk was de komst van Tail Dragger, blues shouter pur sang, die ondanks zijn gevorderde leeftijd, met humor en branie flink van zich afbeet in het hoge gezelschap. Zeer tot de verbeelding sprak de…ritmesectie: twee veteranen uit de Chicago sien vervulden een oude droom van alvast deze jongen. Bassist Russell Jackson heeft nog niks van zijn oude vuur verloren en voor de drummer werd de uitdrukking ,,Willy Hayes zien en sterven’’ uitgevonden. Hayes is inderdaad drummer van beroep, maar in zijn vrije tijd corrigeert hij metronomen. We willen maar zeggen: het verschil tussen je gemiddelde slagwerker en een Willy Hayes is meer dan één zonnestelsel. Hij is bovendien om door een ringetje te halen met zijn deukhoed en colbert, en hem bezig zien, de vellen strelend en met een brede glimlach zijn collega’s bekijkend terwijl hij geen tik te veel (maar ook geen tik te weinig) plaatst, haaaaa…Enfin, u hebt ook zo’n slordige dertig platen waarop de heren het tempo aangeven, dus vertel ik hier wellicht niks nieuws. Wij zagen enkel het eerste concert, dat van dinsdag 04/12, maar vermoedelijk lag het tweede van woensdag in dezelfde lijn. Een hele reeks klassiekers dus waarvan we u de opsomming hier besparen. Er werd geëindigd met Reconsider Baby, maar de Verschrikkelijke Buurman, wiens wekker op 23 uur staat, waarna onherroepelijk de politie BP verantwoordelijke Franky Van de Ginste met loeiende sirenes afvoert, verhinderde het toetje dat Sweet Home Chicago heet. (Antoine Légat 26 12 07)
O ja, er was ook een jong en best leuk voorprogramma Ilias Scotch & Moe Bass, zoals ze zelf zeggen op hun site: bluesy jazz en jazzy blues.